NF-5 Vliegeruitrusting, de eerste jaren

hens

Intro

De Nederlandse Luchtmacht, beschikte in de jaren 60 over een brede mix aan vliegtuigen. Onder andere over Engelse (Hunter), Nederlandse (S-11 en S-14) en Amerikaanse (F-84 en F-104) toestellen. Iedere kist had zijn eigen specifieke vliegeruitrusting. Dit had alles te maken met de aansluitingen in de kist en de taak binnen de Luchtmacht.

Daarnaast hebben de Nederlanders altijd hun eigen draai gegeven aan de uitrusting en volgden niet de beproefde concepten van andere Luchtmachten. Vliegers droegen dan ook vaak een vreemde combinatie van Amerikaanse helmen, Franse parachutes en Nederlandse overalls. In dit artikel gaan we wat dieper in op de kleding en uitrusting in de eerste jaren van de NF-5.

Van F-84 naar NF-5

Het Handboek Vliegeruitrusting van eind jaren 60 geeft een aardig idee van wat een vlieger in de jaren allemaal mee moest dragen. De pagina’s met uitrusting voor de F-84 zijn (handmatig) ook goedgekeurd voor gebruik op de NF-5, waarover later meer.

Standaarduitrusting

De vliegers (ongeacht het type waar ze op vlogen) hadden allemaal dezelfde basisuitrusting.

· Vliegerondergoed, dit bestond uit een boven- en onderstuk (lang ondergoed) en had de volgende eigenschappen, isolerend, brandwerend en niet irriterend. De buitenzijde was van wol, de binnenkant bestond uit katoen. Het advies van de Luchtmacht was, om dit ondergoed regelmatig te wassen. Het liefst thuis, omdat daar de “ontstane sporen van ondergane emoties, beter verwijderd konden worden”.

· Vliegersokken, eventueel konden onder deze sokken ook dunnere exemplaren worden gedragen.

· Col, deze colletjes gaven de vliegers bescherming tegen koude rond de hals.

· Herkenningsplaatje (dogtag), deze diende te allen tijde om de nek te worden gedragen.

· Vliegeroverall, deze overalls waren van Nederlands fabrikaat, bekende leveranciers waren Seesing, Haverlach en Folco. Een van de noviteiten rond deze tijd, was het waterafstotende vermogen van deze overalls. Op het rechter been, hadden deze overalls de mogelijkheid het “drijvende mes” mee te voeren. Verder zat in één van de borstzakken de seinstift met patronen. Aan de zijkant, zat een sleuf in de overall waardoor de slang van de anti-g broek werd gestoken. Deze broek werd in de begin jaren, onder de overall gedragen.

· Vliegerlaarzen, deze kwamen in diverse modellen. Voornaamste kenmerken waren de ritssluiting aan de voorzijde en het beperkte profiel aan de onderzijde. Dit laatste om te voorkomen dat rotzooi in de kist belande. De winterversie had een soort bontbekleding aan de binnenzijde. De zomerversie bestond uit twee lagen leer met een isolerende laag er tussen.

· Vliegerhandschoenen, deze leren handschoenen zorgden voor bescherming tegen koude en boden (matige) bescherming bij brand.

· Seinstift, de bovengenoemde seinstift werd vervoerd in een oranje canvas hoes. Deze hoes bevatte, naast de seinstift, 9 seinpatronen.

· Floating knife, dit was een mes om parachutelijnen mee door te kunnen snijden. Deze had een oranje handvat van hout. Dit gaf het mes het drijvende vermogen. Daarnaast zat het mes met een touwtje vast aan de overall. Het leren foedraal van het mes, zat met drukknopen op het been vast.

· Survivalbelt, dit was een riem van een canvasachtig materiaal, welke om de buik werd gedragen. In deze belt zaten twee blikjes met nooduitrusting en bood ruimte aan wat persoonlijke artikelen. Het ene blikje bevatte survival artikelen (zoals zout, scheermesje, zaag en visgerei, kompas, brandglas en zeep). Het tweede blikje was voorzien van eerste hulp artikelen (o.a. pleisters, snelverband, zalf, waterzuiveringstabletten en veiligheidsspelden)

· Vliegerjack, werd in het begin nog het groene stoffen vliegerjack gedragen (gebaseerd op het Amerikaanse B-5 model met bontkraag) kwam al snel het grijze geitenleren jack in gebruik. Dit jack was voorzien van een oranje binnenvoering, zodat in noodgevallen de vlieger beter herkenbaar was vanuit de lucht. Op de linkerborst zat een “venster” waarachter de naam van de vlieger kon worden gedaan. Op de linkermouw zat een “penpocket” waar het nodige schrijfgerei kon worden gestoken. (in die jaren vulpotloden en waskrijt).

 

NF-5 specifieke uitrusting

De vliegers van de NF-5 droegen, op een paar kleine details na, hetzelfde als hun collega’s op de F-104 Starfighter. Hieronder een opsomming van de overige jachtvlieger uitrusting.

· Anti-g broek, deze broek kwam in twee versies. Het oudste model was de Z-3, deze Amerikaanse g-broek, was ook al in gebruik op de F-84. Tevens werd de CSU-3/P broek gedragen. Deze vervanger van de Z-3, had op een aantal punten verbeteringen opgedaan ten opzichte van zijn voorganger. Het doel van een g-broek is tweeledig, ten eerste geeft het de drager het vermogen hogere g-krachten aan te kunnen, ten tweede helpt het tegen vermoeidheid. Bij het aanpassen van deze broeken, dienen ze zo afgesteld te worden, dat eerst de benen en dan het buikgedeelte opgeblazen wordt. Op deze manier wordt het bloed richting de hersenen gedrukt. Dit voorkomt een blackout.

· Onderarmzwemvest, de vliegers waren voorzien van een harnasstelsel van banden om het bovenlichaam. Hier aan zaten, onder de armen, twee “enveloppen” waarin oranje drijflichamen zaten. (de zogenaamde bananen, naar hun vorm) Het opblazen van deze drijflichamen, gebeurde door met de handen de “inflators” te activeren. Dit was, per zijde, een CO2 patroon. Door een ruk aan de touwtjes werden de patronen geopend en stroomden de bananen vol. Voor de borst konden de twee drijflichamen aan elkaar worden gemaakt door middel van klittenband. Opblazen kon ook met de mond, door een buisje met ventiel.

Hieronder: Het Onderarmzwemvest

 

 

· De vliegerhelm, het eerste model pilotenhelm op de NF-5, was de Amerikaanse HGU-2A/P (met een toenmalige prijs van 650 gulden) Dit was een enkel vizier helm, met in het midden van de visor cover (vizier beschermer) een draaiknop. Deze helmen werden voornamelijk gedragen met een donker getint vizier tegen zonlicht. Daarnaast bood het vizier bescherming tegen inslag van bijvoorbeeld vogelaanvaringen. In de helm zaten twee koptelefoons en een aansluiting aan de zijkant, om de communicatie met de grond of andere kisten mogelijk te maken. De helmen waren in eerste instantie wit, met reflecterende strips (3M tape) aan de boven- en achterzijde. Deze strips maakten het vinden van de vlieger in het donker beter mogelijk. (bijvoorbeeld bij een ejection boven zee in het donker). Aan de zijkant zaten twee “receivers” voor het zuurstofmasker. Deze twee ontvangers waren zo gevormd, dat de bajonetten van het zuurstofmasker er in pasten en verstelbaar waren naar de gebruiker. Na verloop van tijd begonnen squadrons hun eigen kleur te geven aan hun helmen. (hierover in een ander artikel meer)

 

Hieronder: De HGU2A/P helm.

· Helmtas, om de pilotenhelm en het masker naar en van de kist te transporteren, gebruikte de vliegers een helmtas. Deze tas leek het meeste op een tas om een bowlingbal in te vervoeren. Aan de onderzijde had deze tas een ronde plaat van stevig materiaal. Over de hele tas liep een rits, zodat de tas in twee helften uit een viel. Dit was een typisch Nederlandse vinding, er is nog geprobeerd om deze tas op de markt te zetten in vrolijke kleurtjes voor brommerrijders. (een actie van 314 Sqn in de jaren 70)

· Zuurstofmasker, om de vlieger van de nodige zuurstof te voorzien en als houder voor de microfoon, droeg men een zuurstofmasker. Volgens de handboeken, mochten twee types gebruikt worden op de NF-5 bij zijn indienstneming. De populairste was de MS22001 (wat een door ontwikkeling was van de A-13A en later de MBU-3/P genoemd werd). Volgens de gebruikers had deze een prettiger pasvorm dan de nieuwere MBU-5/P. Fabrikanten waren onder andere Scott en Sierra Engineering.

· Oxygen connector, om de masker aan de zuurstofslang van het toestel te bevestigen, maakte men gebruik van een connector. De NF-5 vlieger had deze connector op zijn rechterborst. Het type was de CRU-60/P en had drie aansluitingen. De onderste voor de slang van uit het toestel, een kleine aan de bovenzijde van/naar de noodzuurstoffles in de parachute en de laatste naar het masker.

· Parachute, de parachute van de vlieger, werd op zijn rug gedragen. Vanwege de sneller openingstijd ten opzichte van andere modellen, heeft de Luchtmacht gekozen voor de Franse EFA parachutes. De EFA versie in gebruik in het begin op de NF-5 was de EFA-220. De parachutes waren voorzien van quickreleases aan de parachutebanden. Op deze manier kon de vlieger zelf zijn chute loskoppelen als hij deze gebruikt had. Deed hij dit niet, kon de parachute hem over de grond of door het water blijven trekken. Deze parachutes hadden op de rechterborst de bovengenoemde connector en op de linkerborst bevond zich een “barostatic time release”. Deze time release, was een rode handgreep om de parachute mee open te trekken. Kon de piloot dit zelf niet, ging dit automatisch. De release werd opgewonden en dan geblokkeerd met een beveiliging aan een rood koord (lanyard) Onderaan dit rode koord, zat een “golden key” deze sleutel zat op of in de stoelriem van de vlieger. Op het moment dat de vlieger na een bail out uit de stoel werd geworpen, trok het rode koord de beveiliging uit de time release. Hierdoor begon het mechanisme te lopen en werd de parachute geopend. Het model in gebruik op de NF-5 EFA was de EFA-36. Achter in het parachutepack, zat een grote veer met een pilotchute. Bij het openen van de achterflappen van het parachutepack, sprong de veer open en schoot de pilotchute naar buiten. Deze kleine chute trok de grote hoofdparachute naar buiten. De hoofdparachute had banen van verschillende kleuren, oranje, groen en wit. Dit om te dienen als seinmiddel (oranje) of camouflage (groen en wit). Daarnaast zat schuin aan de achterzijde van het parachuteharnas, nog een zak met een noodzuurstoffles. Deze groene fles had een leiding lopen over de schouder van de vlieger naar de oxygen connector. Openen van deze fles gebeurde met de ruk aan een koord onder de oksel. Aan dit koord zat een groen balletje, de zogenaamde “green Apple”.

Hieronder v.l.n.r: De EFA Parachute, Golden Key en de Barostatic Time Release.

 

High Flights

Voor het overvliegen van de NF-5’s vanuit Canada naar Nederland, gebruikte men extra uitrusting. Van de Deense Luchtmacht werden immersion suits geleend (zogenaamde plonspakken). Deze konden enige bescherming bieden bij het neerkomen in koud water. Daarbij droeg men onderoveralls, een soort isolatiepakken tegen de kou. Hier overheen, droegen de vliegers oranje gekleurde overalls. In eerste instantie werden deze geleend van de Marine Luchtvaart Dienst, tot dat men deze zelf ook in beheer kreeg. Het overvliegen van een NF-5 gekleed in ondergoed, onderoverall, plonspak, vliegeroverall, parachuteharnas en zwemvest, zal zeker geen pretje geweest zijn.

 

Artikel en foto’s: Ron Kraan